Door Gert-Jan Hospers
Toen ik laatst een bakkerij in Bad Bentheim binnenliep, viel mijn oog op een delicatesse waar ik van jongs af aan gek op ben: krentenwegge. Maar dat kon toch niet? De krentenwegge is immers een streekproduct waarmee mijn thuisregio Twente zich graag profileert – een echte identiteitsdrager en mooi visitekaartje. Even later zag ik het bordje: Rosinenstuten. Zelfde brood, andere naam.
Het zette me aan het denken. Want hoe Twents is die krentenwegge eigenlijk, als hij in de Grafschaft Bentheim ook gewoon in de schappen ligt? Het antwoord is even simpel als leerzaam: het product is niet voorbehouden aan één regio, maar een culinaire dubbelganger uit een gedeeld verleden. Het rijkgevulde krentenbrood herinnert aan een tijd waarin de grens nauwelijks bestond. In het EUREGIO-gebied kun je de lekkernij in allerlei soorten en maten krijgen, van een handzame minivariant tot een indrukwekkend exemplaar. En wie de vele krenten toch wat te machtig vindt, kan kiezen voor de lichter verteerbare rozijnenwegge – de Rosinenstuten die ik dus ontdekte.
De overeenkomsten zie je niet alleen aan het product zelf, maar ook aan de woorden. Het Duitse ‘Stuten’ en het Twentse ‘stoet’ betekenen allebei ‘brood’. Aan beide zijden van de grens werd het feestbrood met krenten of rozijnen bij speciale gelegenheden (zoals een geboorte) aan de buurt of familie geserveerd. De krentenwegge en Rosinenstuten staan niet voor een toevallige overeenkomst, maar voor een gemeenschappelijke cultuur in het Nedersaksische taalgebied. En er bestaan meer grensoverstijgende culinaire dubbelgangers. Erwtensoep en Erbsensuppe verschillen hooguit in dikte (de Nederlandse variant is wat zwaarder), niet qua karakter. Metworst en Mettwurst komen uit dezelfde traditie van slacht en conservering. Stamppot en Eintopf delen dezelfde basis: stevige kost bestaande uit aardappel, kool en worst. Ook bij zuivel zie je dergelijke gelijkenissen. Eigenlijk is dat niet verrassend, want eeuwenlang vormde deze regio één economisch en cultureel geheel. Zo trokken handelaren over zandwegen (‘Hellwegen’) van Deventer naar Münster en verder. Ze vervoerden graan, zout en hout, maar ook recepten, technieken en smaken. In die wereld was de grens geen barrière, maar hooguit een vage overgang. Boeren leefden op soortgelijke grond, verbouwden dezelfde gewassen en bereidden hun eten op vergelijkbare wijze.
Kortom: de Euregionale keuken weerspiegelt een gedeelde levenswijze. Kleinschalig, afhankelijk van wat de omgeving bood, seizoensgebonden. En minstens zo belangrijk: gericht op gemeenschap. Het fenomeen ‘noaberschap’ – buren die elkaar bijstaan – leeft voort in tradities als het brengen van een krentenwegge of het organiseren van een welkomstmaal. Eten was nooit alleen voeding, maar ook verbinding. Misschien schuilt daarin wel de les voor vandaag. In een tijd waarin voedsel uit alle windstreken komt en de afstand tussen producent en consument groter wordt, zouden we die oude vanzelfsprekendheid moeten herwaarderen. Niet uit nostalgie, maar uit nuchterheid. Want eten van dichtbij – wat we nu ‘lokaal’ noemen – was in het Euregio-gebied ooit de standaard.
