Door Martin Borck
Wij Duitsers worden door veel Nederlanders nog altijd gezien als streng. Een eigenschap die je onder meer kunt herkennen in alles wat hier niet mag. Je komt in Duitsland een hoop verbodsbordjes tegen met teksten erop als: ‘Verboden grasveld te betreden’, ‘Verboden te voetballen’ en uiteraard ‘Verboden te roken’. Maar over de Duitse verbiederitis wil ik het hier eigenlijk niet hebben. Het is namelijk een typisch Nederlands verbodsbordje dat me intrigeert. Een blauw bordje met in witte letters ‘verboden toegang’. Enfin, dergelijke bordjes vind je ook in Duitsland. Maar waarom verwijst het Nederlandse expliciet naar paragraaf 461 in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht? Op haast alle ‘verboden toegang’-bordjes staat de afkorting Art. 461 wetb. v. strafr.*
Die wet gaat als volgt: ‘Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.’ En zo’n boete kan oplopen tot wel € 550.
De bordjes staan naar mijn mening jammer genoeg meestal voor uitnodigende stukken grond met mooie parken, waar ik graag zou wandelen. Aan de andere kant is het begrijpelijk dat eigenaars gesteld zijn op hun privacy en geen behoefte hebben aan ongenode gasten.
Toch vraag ik me af of het niet zou volstaan om een bordje neer te zetten met ‘verboden toegang’. Is die verwijzing echt nodig? Andere gebods- en verbodsbordjes in Nederland verwijzen tenslotte ook niet naar de betreffende wetsteksten. Ik heb er tenminste nog nooit een verkeersbord met een paragraaf gezien. Het enige dat in de buurt komt is de waarschuwing voor wegslepen bij een parkeerverbod. Maar die is nog tamelijk abstract, er wordt niet mee naar de wet verwezen.
Het verschil in handhaving ligt er waarschijnlijk aan dat verkeersborden door de overheid worden geregeld, terwijl het ‘verboden toegang’-bordje door iedere bevoegde grondbezitter, pachter of huurder mag worden neergezet. Maar juridisch gezien is de verwijzing naar het strafboek niet noodzakelijk. In tijdschrift Advocatenblad hielp journalist Ewoud Sanders al in 2003 de misvatting de wereld uit dat een verbod zonder verwijzing ongeldig is. Toch heeft het wel nut, al is het maar omdat het de passage ‘voor hem blijkbare wijze’ erdoor benadrukt wordt. En daarmee ook de ernst van het verbod.
En dat is niet zo gek als je bedenkt dat Nederlanders worden gezien als een volk dat een verbod liever als advies dan als voorschrift interpreteert. Van die karakteristieke koppigheid maken de eigenaars van een restaurant in Leiden gretig gebruik: ze hebben hun bedrijf met een knipoog ‘Verboden toegang’ genoemd en een groot bord met de verwijzing naar het strafboek boven hun deur gehangen. Met het gewenste effect: de gasten zijn niet weg te slaan, ondanks (of dankzij?) het dreigende artikel 461.
Wat ik trouwens ook bijzonder vind aan het wetsartikel is de opmerking dat het vee ook strafbaar is. Daarbij moest ik denken aan een uitzondering op het Duitse toegangsverbod, dat in het Bürgerliche Gesetzbuch in paragraaf 961 en 962 vastgelegd is. Daarin gaat het ook over een soort gebruiksvee, namelijk de bij. Het komt er ongeveer op neer dat als een zwerm bijen wegtrekt, de eigenaar zijn bijen mag volgen, ook als dat betekent dat hij daarbij vreemde grondstukken betreedt, en daar heeft hij de toestemming van de grondeigenaar ook niet voor nodig. In Nederland moeten imkers officieel eerst om toestemming vragen, voordat ze hun zwerm op mogen halen. Toch jammer dat bijen niet kunnen lezen.
Vertaald door Sarah Hewitt.
*Wetboek van Strafrecht Artikel 461: “Hij die, zonder daartoe gerechtigd te zijn, zich op eens anders grond waarvan de toegang op een voor hem blijkbare wijze door de rechthebbende is verboden, bevindt of daar vee laat lopen, wordt gestraft met geldboete van de eerste categorie.”

Een typisch ‘verboden toegang’-bordje. Foto: © Martin Borck